Jan Pieterszoon Sweelinck – Léon Berben

Geplaatst in: CD-Besprekingen, Nieuws | 0

Sweelinckbox

 

In de vorige bespreking ging ik al in op de mooie en zinvolle uitgaven van het label Aeolus. In deze bespreking presenteren we wederom een onlangs tot stand gekomen uitgave; de complete klavierwerken van onze landgenoot Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621). Organist en klavecinist Léon Berben (Heerlen, 1970) tekende voor de uitvoering.

Allereerst getuigt deze uitgave van een grote betrokkenheid. Er is zeer veel zorg besteed aan uitstraling en presentatie. Daarin onderscheid zich dit label met afstand. Evenals bij de Bach-Silbermann uitgave is ook deze gestoken in een hard kartonnen doos met als inhoud 6 cd’s en een uitgebreid booklet. En last but not least is er natuurlijk een zorgvuldige keuze gemaakt in de keuze van de bespeelde instrumenten.

Om met dat laatste te beginnen; de muziek van Sweelinck hoorde ik nogal eens op instrumenten in gelijkzwevende stemming. Sinds het beluisteren van Sweelinck’s muziek op de daarvoor geënte instrumenten (in middentoonstemming) begreep ik ook waarom me dat nooit kon bekoren. De middentoonstemming, die in Sweelinck’s tijd gebruikelijk was, laat ruimte voor zeer reine harmonieën en zorgt voor een heerlijke, soms kruidige melange. Veel van die levendigheid gaat verloren bij een uitvoering in een moderne stemming omdat daarin juist de karakteristieke verschillen tussen de toonsoorten verdwijnen. Juist dat gegeven is heel belangrijk in deze muziek. Sweelinck moet je dus benaderen op de meest authentieke manier. In die zin vind ik het ook legitiem dat het koororgel in de Oude Kerk van Amsterdam (de plek waar Sweelinck destijds organist was) in 2002 omgestemd is naar een middentoonstemming. Datzelfde geldt trouwens eveneens voor het grote van Hagebeer-orgel in de Pieterskerk te Leiden. Het instrument is weer in oude luister hersteld. Zeer fraai wat daar tot stand gekomen is!

Léon Berben bespeelt in deze uitgave drie historische instrumenten in middentoonstemming: het Scherer-orgel uit 1624 in de St. Stephanskirche in Tangermünde (D), het kleine Renaissance-orgel van de Grote Kerk in Oosthuizen met zijn vijftiende-eeuwse pijpwerk en het Niehoff-orgel uit de Eglise Saint-Jaques in Luik (B). Alle genoemde instrumenten zijn voortreffelijke voorbeelden om de muziek van Sweelinck in finesses te etaleren. In Nederland beschikken we o.a. naast Oosthuizen nog over het orgel in de al genoemde Pieterskerk in Leiden (het grootste orgel van de wereld in middentoon!) en de beide kleine orgels in de Oude Kerk van Amsterdam en de St. Laurenskerk te Alkmaar. Het Scherer-orgel in Tangermünde is met afstand het meest bekend in dit genre. Berben opent ermee. Zijn spel karakteriseert zich in dit genre als open, vitaal en krachtig. Voor mij is het echter duidelijk dat Berben meer affiniteit heeft met componisten uit de vijftiende en zestiende eeuw dan met componisten uit de zeventiende en achttiende eeuw. Zijn spel in die laatste categorie vind ik vaak te druk; hij is daarin té nadrukkelijk aanwezig. Hij legt als het ware de muziek een stempel op. Dat ervaar ik in deze muziek veel minder. Sterker nog; het ademt, het sprankelt, er spreekt bezieling uit. Niet vreemd overigens, want zijn discografie beslaat voor een groot deel muziek uit deze periode. Bijzonder is zijn bijdrage op het orgel van de Saint-Jaques in Luik. Net als in Tangermünde bezit het drie manualen. De veelzijdigheid aan klankkleuren levert prachtige momenten op. Ook in Oosthuizen, waar hij eerder een cd met werken van William Byrd (RAM 0704) opnam, weet hij in alle bescheidenheid de juiste snaar te treffen. De helft van deel 5 en deel 6 in zijn geheel zijn gewijd aan de klavecimbel. Ik zeg er eerlijk bij dat het van mij niet had gehoeven. Tegelijk is het legitiem en origineel want in de tijd van Sweelinck werd er bijna uitsluitend op klavecimbel of klavechord gestudeerd.

Jan Pietersz. Sweelinck werd geroemd als “den aldercloecksten ende constichsten Organist deser eeuwe” en “weerdigh een Prince der Musijcken genoemt te worden”. De laatste tijd staat zijn werk sterk in de belangstelling. Onlangs werd de uitgave van zijn complete werk (Het Sweelinck Monument) afgerond op het Spaanse label Glossa. De laatste twee delen hieruit (de klavierwerken) heb ik in mijn bezit. Het leverde een prachtig vergelijk op. Het voordeel van deze uitgave is de ruime keus aan instrumenten en het gegeven dat meerdere organisten hun medewerking verlenen en daarbij zelfs hetzelfde orgel bespelen. Daarnaast worden de Psalm en Lied-bewerkingen vocaal ingeleid door een viertal zangers. Bij elkaar levert dat een grote diversiteit op. Voor wat betreft de diversiteit aan instrumenten gaat hetzelfde op voor de (helaas uitverkochte) uitgave van NM-Classics die rond de eeuwwisseling tot stand kwam. Daarin excelleert o.a. het herboren Pieterskerk-orgel in Leiden onder handen van Leo van Doeselaar.

Hoe dan ook; de lexicon van Sweelinck’s muziek is vandaag de dag goed vertegenwoordigd. En dat mag, moet zelfs, zeker als we beseffen dat dit één van de grootste componisten van eigen bodem betreft. Opnamen en artwork zijn van excellente kwaliteit, een standaard gegeven bij dit label. Neem en luister zou ik zeggen, want de prijs in verhouding tot de kwaliteit is uitstekend! Voor de recensie van het Sweelinck Monument verwijs ik u graag naar de laatste uitgave van de Orgelvriend. Daarin worden de laatste twee boeken besproken door Erik van der Heijden.

JAN-WILLEM VAN BRAAK | APRIL 2015